Kind van de rekening, Kinderen in slavernij op Aruba 1
Luc Alofs
Eerder verschenen in
‘Kind van de rekening: kinderen en slavernij op Aruba’, in: A. Bijnaar (red., 2013), Kind aan de
Ketting, kinderen en slavernij, Amsterdam NINSEE/Koninklijk Instituut voor de Tropen.
Op 3 april 1848 kreeg de achttienjarige Constantinus, doorgaans Constantijn of Constantien
genoemd, een nieuwe eigenaar. Weduwe Van Dragt deed hem door omstandigheden gedwongen
van de hand. Constantijn leefde op dat moment acht jaar op Aruba, als slaaf van het kinderloze
echtpaar Abraham van Dragt en Reinira Dettinger. Naast Constantijn was er nog de twaalfjarige
slavin Merselina. Zij waren in 1840, gescheiden van hun moeders, vanuit Curacao naar Aruba
gekomen nadat Van Dragt was benoemd tot onderwijzer aan de (openbare) landsschool en als
godsdienstonderwijzer ten behoeve van de protestantse gemeenschap te Oranjestad. Van Dragt
behoorde zowel tot de neringdoende klasse als tot de geestelijkheid. Voor zijn aanstelling als
school- en godsdienstonderwijzer ontving hij een jaarsalaris van negenhonderd gulden. Voor
aanvullende inkomsten was hij aangewezen op betalende leerlingen en de opbrengsten van zijn
kostgrond en veestapel. Geen rijkdom om het bezit van een groot aantal slaven zinvol of mogelijk te
maken.
Constantijn en Merselina woonden in het dorp Oranjestad aan de Paardenbaai. In 1845
woonden daar 1.154 mensen; 315 van hen, ofwel ruim een kwart van de bevolking, waren slaven.
Elders op het eiland leefden nog eens 215 slaven, merendeels binnen een straal van acht kilometer
rond het dorp. De huizen aan de baai stonden kriskras door elkaar, zonder duidelijk stratenplan, op
een rotsachtige bodem zonder veel begroeiing. Aan de oostkant werd het dorp begrensd door een
ondiepe lagune en aan de westkant door een hoomvormige zoutpan. Sommige erven hadden kleine
koralen, vaak slecht afgesloten, waardoor tot grote ergernis van eenieder schapen en geiten, maar
ook straathonden vrij door het dorp zwierven. De meeste woningen hadden een strodak, de beste
huizen een pannendak dat in een enkel geval voorzien was van een dakkapel. Op een aantal erven
stonden kleine bijgebouwen, zoals schuurtjes en slavenhuisjes.
Het huis waar Constantijn en Merselina woonden stond in de oostelijke helft van het dorp.
Mogelijk hadden zij ieder een kamertje in het hoofdhuis (met strodak) of leefden zij in een kleine
opstal op het erf rond de hoofdwoning. Tijdens hun kinderjaren, tot ongeveer hun veertiende,
verrichtte zowel Constantijn als Merselina klussen in en rond het huis, zoals het schoonhouden van
de mahonie- en vurenhouten meubels en de acht schilderijen die Van Dragt bezat. Zij poetsten het
zilveren servies, hielpen in de keuken, voederden de twee merries en deden te voet boodschappen in
het dorp. Naarmate hun leeftijd vorderde, kregen beide jonge slaven elk specifieke taken.
Merselina’s levenslot koppelde zich steeds sterker aan dat van haar eigenaresse. Terwijl zij de
huisbediende van Reinira van Dragt-Dettinger werd, speelde Contantijns leven zich steeds meer
buitenshuis af. Hij kreeg taken in de bewerking van de landbouwgronden en het hoeden van het vee
van Van Dragt.
l
Op Van Dragts terrein Mijn Vermaak, even buiten het dorp, stond een buitenhuisje waar
Constantijn hielp met de landbouw. Op het kavel Ruimzicht in de oostelijke wijk van het dorp hield
Van Dragt mogelijk wat vee. Hij had daarnaast samen met Joseph Schwengle en Richard Raven
Muskus de kleine plantage Drietal aan de nog onbewoonde Commandeursbaai verworven. Wellicht
daar hoedde Constantijn Van Dragts veestapel: acht ezels, 32 schapen en 128 geiten. Constantijn
was tevens klusjesman. In 1846 werd hij verhuurd als timmerman bij de bouw van de protestantse
kerk die onder leiding van Van Dragt werd opgericht. Hij verdiende er 75 cent per dag. Ten slotte
hielp Constantijn bij het onderhoud van het woonhuis en in het schooltje repareerde hij
schoolbanken en lessenaars. Van de 240 boeken die de landsonderwijzer ter beschikking stonden,
kon hij er waarschijnlijk niet één lezen, want van onderwijs voor slavenkinderen was nog geen
sprake.
Het plotselinge overlijden van Van Dragt op 14 februari 1848 dreef de levens van
Constantijn en Merselina verder uit elkaar. De onderwijzer het een weduwe achter die niet over
i nk omsten beschikte. Zij bleef achter met een geldbedrag van 164 gulden en een uitstaande
hypotheek van 175 gulden. Constantijn werd overbodig en hij werd dan ook al gauw, op 3 april,
verkocht aan Jean Oduber. Het kind van de rekening bracht 350 gulden op, een gebruikelijke prijs
voor een slaaf van die leeftijd. 2
Slavernij is een zwarte en lange tijd verzwegen pagina in de Arubaanse geschiedenis. Aruba’s
reputatie is die van het verwaarloosde eiland waar zich in de achttiende en negentiende eeuw
commandeurs en kolonisten vestigden die zich met indianen vennengden. Toch was in 1849 21
procent van de bevolking slaaf en op 1 juli 1863 kregen 480 slaven er de vrijheid. 219 van hen
waren jonger dan vijftien j aar. Wat de aard en omvang was van kinderslavernij op Aruba, is de
centrale vraag van dit artikel. Hoewel op Aruba kinderen vanaf hun veertiende jaar geacht werden
slavenarbeid te verrichten en na die leeftijd niet meer als kind door het leven gingen, zal ik in deze
bijdrage ook ingaan op jongvolwassen slaven en slavinnen tussen de veertien en twintig jaar oud.
Deze groep bevond zich in het niemandsland tussen kindertijd en de volwassenheid: in deze
levensfase zal de onvrije en drukkende situatie van slavernij een sterke rol hebben gespeeld in hun
veranderde dagelijks leven en in hun groeiend bewustzijn. Jongvolwassenen vervullen daardoor een
eigen rol in de slavemijgeschiedenis. 3
Slaven zonder plantage
Aruba neemt een aparte plaats in in de geschiedenis van het Caraïbisch gebied. Het eiland werd
door Spanjaarden (circa 1500-1636) en door de West-Indische Compagnie (1636-1792) sterk
verwaarloosd. De West-Indische Compagnie gebruikte Aruba voor veeteelt en het kappen van
brandhout voor Curacao. Om de weidegronden voor de veeteelt van de Compagnie te behouden,
werd de vestiging van kolonisten verboden. Indianen van de vaste wal werden wel op het eiland
toegelaten om bij de houtkap en veeteelt behulpzaam te zijn. In ruil voor deze zogenaamde
herendiensten mochten zij een bescheiden kostgrond bewerken en een beperkte hoeveelheid
schapen en/of geiten houden. Experimenten om voedselplantages op te starten mislukten. Eerst in
2
1717 met een landsplantage, daarna in 1754 toen enkele kolonisten op het eiland werden toegelaten
om particuliere maïsplantages te starten. Oorzaak: de droogte. Al met al leefden slechts een handvol
compagniesbedienden en een grotere groep indianen op Aruba. In 1767 werden 120 huishoudens
geteld, waarvan er acht voor de compagnie werkzaam waren en twaalf anderszins met toestemming
van de compagnie op het eiland verbleven. De honderd resterende huishoudens waren indiaans. 4
Onder de West-Indische Compagnie was de slavernij weinig omvangrijk. Alleen de
commandeurs en na 1754 het handje vol kolonisten hielden enkele slaven. Bij het plantage-
experiment van 1717 werden twintig slaven uit Curacao ingezet, die na driejaar terugkeerden. ^ In
1774 onteigende de compagnie zeshonderd schapen van de indiaanse Maria Tromp. Om toezicht te
houden op de geconfisqueerde kudde haalde de compagnie twee bejaarde compagnieslaven en voor
het eerst twee kindslaven uit Bonaire. 6
De slaaf bleef op Aruba lange tijd een onopvallende figuur en wanneer hij of zij al in beeld
kwam was het wegens ontvluchting of verzet. In 1750 vennoordden slaven de zuster van
commandeur Nieuwkerk, haar kind en twee slavinnen. In 1795, het jaar van de slavenopstanden in
het Franse Saint-Domingue, op de overwal in het heuvelgebied rond Coro, Venezuela en op
Curacao, leefden er omstreeks dertig zwarte slaven op Aruba en ook zij kwamen in verzet. In de
maand juni kwam eerst de indiaanse bevolking van het dorp Noord in opstand tegen het misbruik
van de arbeidsplicht en in de nasleep daarvan protesteerden ook Aruba’s zwarte slaven in september
tegen het voortduren van de slavernij. Geheel in de trant van de Curacaosc slavenleider Tula trad
de landsslaaf Thico als woordvoerder op: ‘hebbende eene Neeger Thico aan den Staat behorende
en aldaar ten dienste van den Commandeur sig seer stoutmoedig en brutaal uytgelaaten,
seggende niet meerder te willen dienen, maar vrij te sijn’. Thico werd naar Curacao
overgebracht, waar hij na enkele maanden opsluiting onverkoopbaar bleek en daarom als
sjouwerslaaf in Fort Amsterdam te werk werd gesteld. 7 De Arubaanse slavernij had nog vier
generaties te gaan.
Kolonisatie en slavernij namen in omvang toe na de restauratie van het Nederlandse
koloniale regime in 1813-1816. De landsveeteelt en -houtkap waren tijdens het Engelse
tussenbestuur (1801-1803, 1806-1816) verwaarloosd en dit gegeven maakte de weg vrij voor
kolonisatie van het eiland. Tijdens een opleving van de handel tussen Curacao en Venezuela tussen
1795 en 1823 functioneerde Aruba’s Paardenbaai als tussenhaven en ontstond het dorp Oranjestad.
Goudvondsten in 1824 brachten de hoop dat het eiland enige welstand zou ontw ikk elen. De
invoering van een liberaal vestigingsbeleid, eveneens in 1824, maakte de ontwikkeling van een
bescheiden koloniale samenleving mogelijk. De handelsopleving bleek echter van korte duur en
kwam in 1822 ten einde nadat Simón Bolivar de Spaanse troepen op de Vaste Wal had
verslagen. De hoge verwachtingen van de goudwinning moesten al in 1829 worden bijgesteld.
Niettemin kwam aan het isolement van het eiland een einde.
Het waren vooral nieuwkomers, overwegend handelaren en scheepseigenaren uit Curacao,
die slaven bezaten en van daar meebrachten naar Aruba. In 1795 leefden omstreeks dertig slaven op
Aruba. Meer betrouwbare gegevens stammen uit 1806 en 1816 toen er respectievelijk 194 en 336
zwarte en ‘gecouleurde’ slaven op Aruba woonden. Het bevolkingsaantal steeg van 1.546 in 1806
3
tot 2.420 personen in 1830 als gevolg van migratie van bla nk e kolonisten en hun zwarte slaven en
natuurlijke aanwas onder de reeds aanwezige bevolking. In 1840 was het aantal slaven opgelopen
tot 497 (tabel 1). Maar ook het aantal eigenaren steeg tussen 1816 en 1836, namelijk van dertig
tot maar liefst 101.
Door het wegvallen van goudwinning en handel en wegens de enorme droogte
overheerste de kleinschalige zelfvoorzienende landbouw waarin voor grootschalige slavernij geen
plaats was. Pogingen om landbouwplantages te stichten, faalden ook in de negentiende eeuw.
Plantage-experimenten waren gericht op het vinden van handelsgewassen, waarbij het vinden van
exportproducten voor de Curacaosc handel en het creëren van werkgelegenheid voor de verannde
vrije bevolking hand in hand gingen. In de jaren 1836-1845 legde directeur (lees: gouverneur) Van
Raders op Curacao en Aruba modelplantages aan voor de teelt van aloë en cochenille. 8 De
onderneming bleek niet rendabel en werd na Van Raders’ promotie tot gouvemeur-generaal van
Suriname in 1845 op een laag pitje gezet. Op Aruba waren in 1854 negen landsslaven te werk
gesteld, merendeels op de aloë- en cochenillevelden. 9 Ondanks het geringe succes van de
landsplantages nam een aantal grondbezitters deze teelt over. Nog minder dan het gouvernement
zetten zij op grote schaal slavenarbeid in. De teelt bleek ook voor hen geen succes en viel rond 1865
stil. De plantagelandbouw kwam ten einde. Het eiland zonk terug in annoede en vergetelheid tot
de opkomst van de fosfaatwinning in de jaren tachtig van de negentiende eeuw en de olie-
industrie in 1924.
De slavernij werd op 1 juli 1863 afgeschaft. Er werden 486 slaven vrij gemaakt. Zes van hen waren
lands- of gouvemementslaaf. Het meest volledige beeld van de Arubaanse slavenbevolking hebben
we van vlak daarvoor, de jaren 1862-1863, toen de afschaffing van de slavernij werd aangekondigd.
In 1862 meldden zich 75 eigenaren die in aamnerking wilden komen voor de
Emancipatievergoeding. In totaal werden 493 slaven aangemeld: 266 vrouwen en 227 mannen. Het
bezit van een gering aantal slaven overheerste. 41 huishoudens hadden minder dan vijf slaven.
Slechts veertien eigenaren hadden tien of meer slaven (tabel 2).
Een gevolg van het ontbreken van een plantage-economie was dat veldarbeid een
gelijkwaardige plaats innam ten opzichte van de huishoudelijke dienst. Vrouwen werkten doorgaans
in huis als bediende, kokkin, keukenmeid, naaister of wasvrouw. Dertien vaak wat oudere vrouwen
waren winkelbediende of hoedenvlechtster (tabel 3). De meeste mannen werkten in de landbouw als
veldarbeider, tuinwachter of veehoeder. Er werden zestien bescheiden plantages opgegeven, maar
slechts één daarvan kende het bomba- systeem. Daar zagen twee bomba’s (slavenopzichters) toe op
niet meer dan vier veldslaven en enkele veehouders. Het merendeel van de landbouwslaven werkte
op de kostgronden van hun eigenaren. De achttien ambachtsslaven waren smid, kuiper, timmerman,
metselaar of matroos. Zij woonden en werkten veelal in de stad. Van personen boven de zestig en
beneden de veertien jaar oud werd in de meeste gevallen geen beroep opgegeven. Kinderen
verrichtten doorgaans wel huishoudelijke klusjes. Twee dertienjarige slaven van weduwe Scholten,
bijvoorbeeld, werden als bediende opgegeven (tabel 3). De slavengroep was een jonge populatie. De
219 slaven tot vijftien jaar vormden 45 procent van het totaal (tabel 4).
4
Demografisch profiel: oorzaken van groei en afname
Het kleinschalige karakter van de Arubaanse slavernij was het gevolg van het ontbreken van een
plantage-economie. Nadat de economische recessie rond 1840 doorzette, daalde de immigratie en
steeg het aantal slaven louter dankzij geboorteoverschotten. Regelmatig verheten verarmde
eigenaren het eiland, waarbij zij slaven aan hun lot overheten of met zich meenamen naar Cura 9 ao.
Andere eigenaren waren gedwongen hun slaven te verkopen. De toenemende annoede onder de
eigenaren resulteerde in hoge kindersterfte onder de slavenbevolking. Toch steeg het totale aantal
slaven (tabel 5). Zelfs in tijden van economische stagnatie, zoals in de jaren 1840, bedroeg het
geboorteoverschot jaarlijks 11 tot 25 personen. Incidenteel, zoals in 1841 en 1842, werd het
geboorteoverschot teniet gedaan door manumissie of de verkoop van slaven. Helaas ontbreken
betrouwbare verkoop- en manumissiecijfers over deze periode.
De terugloop van het aantal slaven in de jaren vijftig valt op omdat het geboorteoverschot
aanhoudend hoger was dan het aantal manumissies. Er werden tussen 1848 en 1863 102
sterfgevallen en maar liefst 291 geboorten vermeld: een geboorteoverschot (189) dat het aantal
manumissies (54) ruimschoots overtrof (tabel 6). De daling moet het gevolg zijn geweest van
verkoop, vertrek of ontsnapping en manumissie van slaven. Verkoop buiten het eiland kwam
weinig voor en ontvluchtingen naar de vaste wal waren zelden succesvol. In 1856 ontsnapten tien
slaven en in 1861 vijf. Zij werden zonder uitzondering opgepakt en aan hun eigenaren op Aruba
uitgeleverd. Nog in 1862 vonden twee ontsnappingen plaats. 10 Een verklaring voor de daling van
het aantal opgegeven slaven moet al met al mede worden gezocht in de gebrekkige
eilandadministratie. 11 We mogen niettemin concluderen dat het aanhoudende geboorteoverschot de
oorzaak was van de jeugdige samenstelling van de Arubaanse slavenstand.
Het slavenhuishouden: sterfte, verkoop en manumissie onder kinderen
In 1854 schreef gezaghebber Jannan dat slaven bij gebrek aan plantages veelal in eigen kleine
huisjes onder het ‘consent [toestemming] hunnen meester’ leefden. 12 Het huwelijk met of tussen
slaven was wettelijk verboden. Wel zegenden pastores huwelijken in. Volgens Jannan gebeurde dat
op Aruba in tegenstelling tot Bonaire maar weinig en werden de kerkelijke huwelijken (in zijn
ogen) vaak zonder veel omhaal weer ontbonden. 13 Ook de protestantse gemeente erkende het
slavenkind. Tussen 1830 en 1865 werden temninste zestien slavenkinderen protestants gedoopt. De
meeste slavenkinderen werden katkoliek. 14
Slavernij had een kleinschalig karakter. 41 eigenaren bezaten minder dan vijf slaven; twintig
andere eigenaren hadden vijf tot tien slaven. In de slavenregisters en het Emancipatiearchief zien we
dat kinderen veelal met hun moeder geregistreerd werden en bij hen woonden. Veelal beschikte één
eigenaar over één slavengezin: een man die het land bewerkte, een vrouw in de huishouding en
enkele kinderen. Ook bij slaveneigenaren die in 1862 meer dan tien slaven bezaten, zien we dat
moeders en kinderen met elkaar woonden, veelvuldig in aanwezigheid van een volwassen man
en niet zelden met meerdere generaties bij elkaar. 15 Slavinnen onderhielden echter niet
5
uitsluitend relaties met mannelijke slaven. Kort na de afschaffing van de slavernij kwamen
veelvuldig huwelijken voor tussen voonnalige slavinnen en reeds vrije Arubanen, waarbij de
kinderen door de man werden geëcht. 16 We mogen aannemen dat het kerngezin en het
meergeneratiegezin de voornaamste huishoudelijke eenheden onder de Arubaanse slavenstand
waren, uiteraard met de moeder-kindrelatie als fundament. Het Arubaanse slavenregister toont aan
dat de meeste slavinnen tussen de twee en zeven levende kinderen kregen. Ondanks het hoge
geboortecijfer en het geboorteoverschot kende Aruba een schokkend hoge kindersterfte (tabel 7).
Tussen 1841 en 1850 waren van de 56 sterfgevallen onder slaven er 23 kinderen tot driejaar
(41,1%). Ook kinderen tot tien jaar waren kwetsbaar: een op de acht sterfgevallen betrof kinderen
van drie tot negen jaar. Dat de kindersterfte op Aruba die op Curacao en Bonaire overtrof, zal te
maken hebben gehad met de algehele veranning onder de slavenbezitters en de droogte die ook de
anne vrije bevolking met grote regelmaat zwaar trof. De slaven hadden bovendien nauwelijks
toegang tot medische zorg. Er waren slechts enkele ongediplomeerde geneeskundigen op het eiland
werkzaam. Voor hun behandeling moest worden betaald en alleen de meest vooraanstaande vrije
Arubanen konden zich de reis naar een arts op Curacao veroorloven.
Een grote bedreiging voor de onvrije Arubanen was de mogelijkheid van verkoop. Al sinds de
terugkeer van de kolonie Curacao in Nederlandse handen (1816) was de verkoop van slaven sterk
gereguleerd. De transatlantische slavenhandel was verboden en feitelijk konden slaven slechts
binnen de kolonie van eigenaar wisselen. De meeste slaven waren in 1862 dan ook op Aruba
geboren en getogen. 17 De Staatscommissie die de afschaffing van de slavernij voorbereidde
beschrijft hoe de verkoop van slaven op de Benedenwindse eilanden plaatsvond. Een slaaf kon door
zijn of haar meester verwittigd worden van de verkoopplannen en eropuit worden gestuurd om zelf
een koper te vinden. Ook was er de mogelijkheid van openbare verkoop. Slaven werden naast een
tafel geplaatst en bij opbod verkocht. De collectieve verkoop van slaven als boedel van de plantage,
zoals in Suriname voorkwam, was op Curacao niet bekend, laat staan op Aruba. Op Aruba zal de
kleinschaligheid ervoor hebben gezorgd dat verkoopplannen al snel in het dorp en daarbuiten
bekend werden. 18
Niet alleen door verkoop konden slaven te gelde worden gemaakt. Men kon ook een
hypotheek nemen op het slavenbezit. Zo verscheen op 29 november 1859 Maria Elisabeth Croes,
echtgenote van Jean Oduber, voor gezaghebber Jarman, belast met notariële zaken, voor een
hypotheekkwestie teneinde ‘een en twintig koppen slaven haar in wettig ... eigendom
aankoomende, voor eene som van Een duizend een honderd en tachtig gulden en, veertig centen’ (f.
1180,40) hypothecair te ontbinden, tegen den interest van zes ten honderd s’ jaars’. 19 Ongetwijfeld
waren er ook kinderen onder het verhypothekeerde bezit.
Constantijn en Merselina waren niet de enige minderjarigen die zonder hun moeders
leefden. In 1824 was de individuele verkoop van kindslaven verboden, maar de praktijk wees anders
uit. In april 1839 werd L. Oduber betrapt toen hij een slavin gescheiden van haar vier jonge
kinderen op Curacao trachtte te verkopen. 20 Het verkopen van kinderen tot twaalf jaar gescheiden
van hun moeder werd andennaal verboden, tenzij met ‘bewilliging’ van de moeder, toestemming
6
van de gezaghebber en in het belang van de kinderen. 21 Verkoop van kindslaven tot tien jaar kwam
minder vaak voor dan de verkoop van tieners en ouderen, maar was niet uitzonderlijk. Het kwam
voor in vier van de tien jaar tussen 1843 en 1852 (tabel 8). Het slavenreglement van 1857 herhaalde
dit verbod, maar de praktijk bleek opnieuw een andere.
Verwantengroepen vielen vaak verder uit elkaar als hun eigenaar overleed. Een voorbeeld
vonnt het slavenbezit van de vooraanstaande burger J.H.G. Eman, stamvader van de bekende
politieke familie op Aruba. Bij zijn overlijden in 1849 liet hij vijftien slaven na die door de
erfgenamen werden verkocht. Hoewel dat verboden was, werden daarbij diverse kinderen van hun
moeder gescheiden. Juana Barbara (zes jaar) en haar broer Minguel de los Santos, ook bekend als
José (zeven jaar), waren kort voor Emans dood zonder hun moeder Cristina aangekocht van José
Anthony Yarzagaray. Moeder Cristina was met haar zuigeling door Yarzagaray verkocht aan
Lodewijk Scholten. Na Emans dood scheidden ook de wegen van broer Minguel de los Santos
(José) en zus Juana Barbara. José ging naar Jan Werleman; Juana Barbara naar Michael Solagnier.
Zij werd in september nogmaals verkocht en herenigd met haar moeder Cristina en de baby bij
Lodewijk Scholten. Dit was niet uitzonderlijk.
Kinderen mochten wel mét hun moeders worden verkocht. Soms gebeurde dat in grotere
groepen. Emanuel van zeven en Vincent van vijf bleven bij hun moeder Carolina (22 jaar) toen de
erfgenamen Eman hen verkochten aan Jan Daniël Oduber. 22 In 1843 bracht de verkoop van een
groep van twee mannen, zes jongens, vier vrouwen en een meisje een bedrag van tweeduizend
gulden op. In dezelfde periode werden nog twee groepen slaven verkocht. Voor een moeder met een
jongen en drie meisjes werd 490 gulden betaald. Een jaar later bracht een vrouw met drie jongens en
een meisje 650 gulden op. Op een openbare veiling werden Juana (35 jaar) en haar kinderen Pedro
Secundino (negen jaar) en Andrea (vier jaar) gezamenlijk te koop aangeboden. 23 De erfgenamen
van Willem Kelly verkochten de kinderen Francisca (twaalf jaar) en Anna Stacia (negen jaar) echter
wel gescheiden van elkaar en van hun moeder Maria Felipa aan Lodewijk F. Scholten en Jacobus de
Lange. 24
De prijs die voor Constantinus betaald werd week niet af van de gangbare bedragen
waarvoor slaven van eigenaar wisselden (tabel 8). Wel schommelden de slavenprijzen. De
gezaghebber schreef dat toe aan de wisselende welvaart en het voorkomen van gedwongen
verkopen als gevolg van de verpaupering die na 1830 inzette. Dat kinderen minder opbrachten lag
voor de hand: zij hadden kostbare verzorging nodig en leverden nog maar weinig op. De
Staatscommissie ontdekte dat - even als elders in de regio - mannen en jongens doorgaans meer
opbrachten dan vrouwen en meisjes. Op Aruba was dat in 1853 niet helemaal het geval. Vrouwen
tussen de twintig en dertig waren kostbaarder dan mannen. In de andere leeftijdscategorieën
brachten mannen en jongens wel meer op (tabel 9).
Manumissie (tabel 6) was een beperkt verschijnsel in de Arubaanse slavenwereld. Geen enkele
individuele volwassene, man noch vrouw, verkreeg tussen 1848 en 1851 jaren door manumissie de
vrijheid. Aanwijzingen dat slaven in staat waren voor hun eigen vrijmaking te sparen, ontbreken.
Toch speelde manumissie voor moeders en kinderen een belangrijke rol. Kinderen die door vrije
7
vaders bij slavinnen waren verwekt, konden namelijk niet worden geëcht tenzij zij eerst werden
gemanumitteerd. Deze vorm van manumissie overheerst in de notariële aktes die daarvan werden
opgemaakt. In 1848, 1849 en 1850 werden achtereenvolgens vijf, nul en elf slaven gemanumitteerd:
onder hen dertien kinderen jonger dan elf jaar. Onder de zestien gemanumitteerden waren twee
moeders met hun (samen vijf) kinderen. Op 17 april 1848 vroeg Jacobus Croes manumissiebrieven
aan voor zijn slavin Anna Cristina (22 jaar) en haar kinderen Francois (driejaar), Jeantil (twee jaar)
en Jan Pieter (drie maanden). Croes verkreeg die na storting van de wettelijk verplichtte borgsom
van elfhonderd gulden. 25 Johan Henriquez betaalde in 1850 vierhonderd gulden voor de borgtocht
van Rosina Ursula (41 jaar) en haar kinderen Minguellina (zes jaar) en Francisco (driejaar). Ook
werden kinderen zonder moeder vrijgekocht. Louis Bazin betaalde driehonderd gulden voor de
manumissie van de achtjarige Evarista Virginia. 26 Maria Elisabeth Croes maakte in 1850 door
manumissie vijf kinderen vrij van wie de oudste, Corina, tien jaar was en de tweeling Josephina en
Celina pas vier 27 Pieter Ridderstap betaalde vierhonderd gulden voor de manumissie van de
vijftienjarige Joseph Leon, die daarmee als enige individuele slaaf werd vrijgekocht. 28
Tussen 1851 en 1862 werden in totaal 54 slaven gemanumitteerd. Het aantal manumissies
per jaar varieerde van nul tot vijf, met uitschieters in 1850 (vijftien) en 1861 (dertig). Vierentwintig
van deze laatste dertig, onder wie vier kinderen jonger dan veertien jaar en drie tieners, verwierven
vrijheid na het overlijden van hun eigenaar, cochenilleteler Marten Evertsz. 29 Of aan manumissies al
dan niet erkende verhoudingen tussen eigenaren of andere vrije Arubanen en slavinnen
voorafgingen, wordt in de archieven uiteraard niet vermeld. Manumissie kon evenwel de weg
vrijmaken voor de formele echtelijke vereniging van een biologisch gezin over de grenzen van de
onvrijheid.
Rechten voor het kind
Om de aard van de kinderslavernij te bepalen, is het zinvol de rechtsbescherming van slaven te
bekijken en na te gaan hoe deze werd toegepast. De Arubaanse slavernij kwam pas tot ontwikkeling
toen de regelgeving omtrent de behandeling van de slaven in de Caraïbische regio werd
aangescherpt. 30 Ook in de kolonie Curacao. In een publicatie van 20/24 november 1795 werd een
groot deel van de slaven die mee hadden gedaan aan de Tula-opstand - de leiders waren reeds
geëxecuteerd - gratie verleend. Zij werden gevrijwaard van verdere rechtsvervolging en moesten
terugkeren in hun staat van slavernij. De koloniale overheid wilde herhaling van opstand
voorkomen door de leefomstandigheden van de slaven te verbeteren en in dezelfde publicatie werd
daarom ook nieuwe regelgeving voor de behandeling, voeding en kleding van slaven afgekondigd. 31
Aan kinderen werd in deze publicatie en in de aanpassing daarvan van 1804 weinig aandacht
besteed. Pas in het reglement uit 1812 (tijdens het tweede Engelse tussenbestuur) kwam daarin
enige verandering. Artikel 3 bepaalde dat ‘aan kinderen zoveel kannen maïs als met hunnen jaren
overeenkomstig is zullen worden afgegeven’. 32
In 1824 werd een nieuw slavenreglement van kracht dat op Aruba niet toepasbaar bleek. In
1841 schreef een verontwaardigde commandeur Jacobus Jarman aan het bestuur op Curacao dat de
slavenwetgeving op Aruba slecht werd nageleefd. De wanhoop bij de commandeur was ingegeven
door een pijnlijk voorval dat ook woede onder de bevolking had veroorzaakt. Een nog jonge en
zwangere slavin was door haar eigenaresse en haar twee dochters zwaar mishandeld. Zij was in huis
opgesloten en kaalgeschoren, vervolgens uitgekleed en gedurende meer dan een uur geheel naakt
gegeseld door de eigenaresse en haar dochters. Daarna was een andere slavin gedwongen de
geseling voort te zetten onder bedreiging bij weigering zelf mishandeld te worden. De eigenaren
stonden reeds bekend om de wrede behandeling van hun slaven. Een woedende menigte
verzamelde zich voor het afgesloten huis en bestookte het met stenen. Jarman besloot de slavin te
ontzetten en in bescherming te nemen door haar op te vangen in Fort Zoutman, overigens wel op
kosten van de eigenaresse. Na twee weken aandringen toonde de eigenaresse zich eindelijk
bereid om de mishandelde slavin te verkopen. 33
Naar aanleiding van deze mishandeling klaagde commandeur Jarman dat negentig procent
van de eigenaren zich niet hield aan het slavenreglement en dat hij machteloos was in het
afdwingen van de naleving. Aanmaningen hadden geen effect; het opleggen van boetes hielp niet
want de deels verannde slaveneigenaren waren vaak niet eens in staat om de belasting over hun
slavenbezit af te dragen. Aansporingen tot verkoop - zeker indien er misstanden heersten -
haalden weinig uit. Op Jarmans verzoek kwam er in 1841 dan ook een aangepast
slavenreglement voor Aruba, dat eveneens op Bonaire van kracht werd. 34
Opvallend is de afwezigheid van de kindslaaf in de regelingen van 1824 en 1841.
Kinderarbeid was niet gereguleerd, de werktijden voor jong en oud wel. Landarbeiders en
ambachtsslaven waren op zon- en feestdagen vrij. Overdag hadden zij recht op rust tussen twaalf en
twee uur. Huisslaven, veehoeders en tuinwachters moesten doorwerken als hun eigenaar dat nodig
oordeelde. Voor huisslaven bestond geen ‘arbeidstijdenregeling’. Bij nachtwerk moesten
compensatietijden in acht worden genomen. De voedselrantsoenen waren wel afhankelijk van
geslacht en leeftijd en ook van het jaargetijde. Volwassen mannen kregen in en na de oogsttijd zes
(literjkannen maïs per week; vrouwen vijf, kinderen ontvingen een hoeveelheid ‘evenredig
daaraan’. In de droge tijd kreeg men een kan minder. De eigenaar was verplicht het voedsel
regelmatig uit te delen om te voorkomen dat slaven afhankelijk werden van hun eventuele
kostgronden of van arbeid voor derden. Volgens de kledingvoorschriften had de eigenaar de plicht
voor ‘behoorlijke bedekking hunner naaktheid’ te zorgen.
De regeling van de lijfstraffen besteedde geen bijzondere aandacht aan minderjarige slaven.
In 1841 was evenals in 1824 vastgelegd dat overtredingen die aanleiding gaven tot straffen
zwaarder dan huishoudelijke kastijding bij de overheid moesten worden aangemeld om te worden
beoordeeld en eventueel bestraft. Op Curacao waren collectieve straffen verboden, voor Bonaire en
Aruba werden deze in 1841 niet genoemd; ze kwamen er wegens het ontbreken van omvangrijke
particuliere plantages wellicht minder of zelfs niet voor. Indien eigenaren in gebreke bleven bij het
naleven van het slavenreglement, konden zij worden beboet of voor de plaatselijke rechtbank, het
Vredegerecht, worden gedaagd.
Slavenzaken kwamen ook na 1841 regelmatig voor bij het Vredegerecht en zowel eigenaren
als slaven stonden daarbij terecht. De meeste klachten betroffen het niet naleven van de kleding- en
9
voedingsregels door de eigenaren. Slaven liepen in lompen en soms geheel naakt of ontvingen te
weinig voedsel. 35 Ook slaven moesten voor het gerecht verschijnen. In 1848 werd een slavin
veroordeeld wegens het slaan van haar eigenaresse. Weliswaar was er geen getuige, maar omdat
dat in zaken tegen slaven niet vereist was, werd zij op grond van de verklaring van haar
eigenaresse veroordeeld tot twee maanden cel. 36 Een gouvernementsslaaf werd tot drie weken
gevangenisstraf in de boeien veroordeeld wegens het stelen van een zilveren lepel. 37
Opvallend is dat in deze j aren weinig zaken rond kindslaven voorkwamen. Wellicht was
dat het gevolg van de ontoereikende uitwerking van de rechten van het slavenkind, wellicht ook
van het feit dat de regelgeving van 1841 even moeilijk was af te dwingen als het reglement van
1824. Op 10 december 1850 schreef dezelfde Jacobus Jarman - zijn titel was sinds twee jaar
veranderd van commandeur in gezaghebber - met dezelfde afkeer en wanhoop over de
gebrekkige toepassing van het slavenreglement en zijn onmacht om naleving te forceren.
Opnieuw was een wrang voorval rond een moeder en kind aanleiding voor Jannans klaagzang.
Hij was benaderd door ‘eene negerin met eene kind op den arm, weenende en kennende, en zich
beklagende over de handeling door haar meester en diens gezin en verzocht te mogen worden
verkocht, de vleesch wonde aantoonende dien zij op de rug had bekomen, ook haar kind zag er
uitgeteerd uit’. Het was reeds de derde maal dat zij zich met een dergelijk beklag tot de
gezaghebber wendde. Jarman wees de eigenaar erop dat deze een stevige boete boven het hoofd
hing en evenals in de mishandelingkwestie van 1841 stuurde hij aan op verkoop van de slavin en
haar kinderen. Hoewel de eigenaar daarin toestemde, bleef de verkoop uit. Daarenboven hield de
eigenaar niet op om de slavin openlijk te bedreigen met nieuwe mishandelingen. Jarman besefte
dat een eventueel door het Vredegerecht opgelegde boete niet inbaar zou zijn. 38 De gezaghebber
kampte met dezelfde uitvoeringsproblemen rond de slavenreglementen als negen jaar eerder. En
dat veranderde niet. In artikel 59 van het regeringsreglement van 1848 was opnieuw vastgesteld
dat de stoffelijke en geestelijke toestand der slaven een overheidsaangelegenheid was. Omdat
deze zorg door de eigenaren - met name op Cura^ao - alles behalve optimaal werd nageleefd,
werden herhaaldelijk circulaires uitgevaardigd om dat te stimuleren. 39
Het laatste slavenreglement uit 1857 moest de slaven niet alleen beter beschennen, maar ze
ook op de Emancipatie voorbereiden. Gedetailleerder dan de eerdere reglementen legde de
publicatie ‘houdende bepalingen ten aanzien der voeding, kleeding, verpleging, huisvesting en
afstraffen van slaven’ de rechten van het slavenkind en ook zwangere en zogende vrouwen vast.
Voor wat betreft de voeding van de kinderen werden nieuwe regels gesteld. ‘Aan slaven van 10 tot
14 jaren worden twee derde, aan die van 7 tot 10 jaren de helft, en aan jongere een derde van het
vorenbepaalde rantsoen gegeven’ (dus zes kannen). Voor hun kleding moesten kinderen onder de
vijfjaar elke zes maanden een lengte textiel van drie el zogenaamde collete (grof linnen) krijgen,
een hoeveelheid die opliep tot zes el voor jongens van elf tot vijftien jaar en meisjes van tien tot
veertien jaar. Vanaf hun tiende jaar hadden kinderen twee maal per jaar recht op vijftig cent om zich
een hoed, doek of sandalen mee aan te schaffen. 40
Kinderarbeid werd niet verboden, maar wel aan banden gelegd: ‘kinderen beneden de tien
jaren, wordt slechts zulk arbeid opgelegd, als berekend is voor hunne krachten’. Voor bejaarden en
10
zwakken gold dezelfde beperking. Mogelijk aangezet door de hoge kindersterfte in de jaren veertig,
mochten zwangere vrouwen vanaf de vijfde maand van hun zwangerschap slechts lichte arbeid
verrichten, iets wat voortduurde ‘gedurende den zoogtijd’ (artikel 8). Het koloniale bestuur
stimuleerde daarnaast het godsdienstonderwijs onder de slavenbevolking: ‘Aan kinderen beneden
de 14 jaren moet vergunning verleend worden, om tenminste gedurende twee uren per dag,
onderwijs te genieten, wanneer de gelegenheid daartoe bestaat’ (artikel 9). Dat was op Aruba al
enigzins het geval. Het Koloniaal Verslag over 1855 vermeldde dat op de katholieke school van
Oranjestad onderwijs gegeven werd aan zowel vrije als aan slavenkinderen. Het Koloniaal Verslag
voegde toe: ‘Overigens bestond er in het jaar 1855 in de kolonie geene andere scholen, zoverre mij
bekend is, waar slavenkinderen worden toegelaten.’ Ook constateerde het: ‘Voor meer in leeftijd
gevorderde slaven is er geene andere gelegenheid om onderwijs te erlangen dan de [...]
zondagsscholen.’
Het strafregime voor de kinderen was sterker dan voorheen gereguleerd. Bij wijze van
huishoudelijke kastijding konden jongens tussen veertien en zestien jaar oud maximaal acht
touwslagen krijgen en vrouwen en meisjes vanaf zestien jaar zes. Slaven mochten worden gestraft
met opsluiting van maximaal acht dagen en nachten (artikel 11). Touwslagen waren verboden voor
jongens onder de veertien jaar en meisjes beneden de zestien jaar, alsmede voor zwangere en
zogende vrouwen. Zij waren bovendien gevrijwaard van straffen met de kettingboei (artikel 14). De
eigenaar mocht straffen opleggen in geval van werkweigering, kleine diefstallen, indien
slavenouders hun kinderen niet naar school of godsdienstonderwijs stuurden of indien zij hun
kinderen verwaarloosden dan wel ‘onmenselijk kastyden’ (artikel 17). Wanneer eigenaren hun
slaven - ongeacht de leeftijd - slecht behandelden, kon de rechter een geldboete opleggen en
eventueel de verkoop van de slaaf bevelen (artikel 15). Ook bleef het bij wet verboden om moeders
en kinderen tot twaalf jaar gescheiden te verkopen, tenzij deze hierdoor de vrijheid verkregen
(artikel 27).
Het reglement perkte de zeggenschap van de eigenaren over hun slaven in doordat het
toedienen van lijfstraffen werd verboden en voortaan het hoofd van de politie (de gezaghebber)
straffen bepaalde die zwaarder waren dan de huishoudelijke tuchtiging. De nieuwe regelgeving
leidde in Suriname, maar ook op Curacao en Aruba, tot vreemde situaties. Eigenaren voelden zich
in hun eigendomsrecht beknot en moesten hun slaven terughoudender behandelen dan hun eigen
kinderen. 41 Nog in zijn jaarverslag over 1861 schreef gezaghebber Michael de Veer over de
naderende afschaffing van de slavernij: ‘Over het algemeen verlangen de eigenaren naar de
emancipatie, vooral op grond dat zij door het Reglement van 1857 weinig of geen gezag meer
over hunne slaven hebben.’ 42 Toch kwamen er nog heel wat zaken voor het Vredegerecht.
Het Vredegerecht
Virginia was Aruba’s meest weerbarstige slavin (zie ill. 1). Als zeventienjarige veldarbeidster
ontvreemdde zij in maart 1859 enkele kledingstukken van haar meester J.H. van der Biest. De
gezaghebber strafte haar met veertien dagen dwangarbeid aan de publieke wegen. Vier maanden
later beging ze dezelfde overtreding en ditmaal moest zij ‘twee maanden dwangarbeid op de
11
gronden harer meester’ verrichten. In november mislukte een poging tot weglopen en opnieuw
moest ze een maand op de gronden van haar meester werken. In juli 1860 werd ze veroordeeld
wegens ‘Weglooperij en valsche beschuldiging, gepaard met oneerbiedigheid’. Ze werd acht dagen
opgesloten. Nauwelijks uit de gevangenis werd ze weer opgepakt voor het veroorzaken van
straatrumoer en verzet tegen de politie. Hiervoor kreeg ze haar eerste en laatste officiële lijfstraf:
veertien touwslagen. Daarmee werd Virginia de vaakst gestrafte slavin van Aruba.
Tussen 1859 en 1863 werden 28 overtredingen van het slavenreglement behandeld, waarbij
in vijftien gevallen slaven onder de twintig jaar schuldig werden bevonden. Het aantal zaken
waarbij geen veroordeling plaatsvond werd overigens niet vermeld 43 De overtredingen liepen
uiteen van weglopen en oneerbiedigheid tot diefstal en straatrumoer. Straffen die daarvoor werden
uitgedeeld waren dwangarbeid, opsluiting en touwslagen. We noemen er enkele. Op 13 augustus
1860 kreeg de tienjarige Jonathan, slaaf van Jean Oduber, twaalf touwslagen wegens ‘herhaalde
wegloperij’. Voor hetzelfde vergrijp kreeg de veertienjarige tuinslaaf Juan (ook Christoba Juan) van
eigenaar Gabriel Ruiz in 1862 acht dagen opsluiting. In 1859 werden de twee veldslaven Jacobus
(achttien jaar) en Isaac (negentien jaar) van eigenaar P. Quant veroordeeld tot ieder 25 touwslagen
wegens diefstal met braak. Eloise, huisslavin van weduwe Quant, was niet ouder dan vijftien jaar
toen zij in 1861 wegens diefstal gedurende acht dagen werd opgesloten. Veldslaaf David (achttien
jaar), die aan A.E. Oduber toebehoorde, werd in 1861 twee dagen opgesloten wegens ‘getier op
straat’. Guillienno was een negentienjarige landsslaaf die in 1860 wegens ‘feitelijk geweld’ werd
gestraft met ‘Opsluiting des nachts gedurende 3 dagen’.
Niet alleen op overtredingen door slaven werd door het gouvernement toegezien. Eigenaren
die de regels overtraden werden voor het Vredegerecht geleid. Uit de aangetroffen zaken wordt
duidelijk dat eigenaren in overtreding tamelijk mild werden beoordeeld. Juan, slaaf van Gabriel
Ruiz (we kwamen hem al tegen als aangeklaagde), klaagde in 1860 de zoon van zijn eigenaar aan
wegens het geven van een lijfstraf van ongeveer tien slagen met een dubbelgeslagen piktouw nadat
hij te lang was weggebleven bij het doen van aankopen. De verwondingen waren dennate ernstig
dat het zeker een week zou duren voor deze zouden zijn genezen. De beschuldigde verweerde zich
door te stellen ‘dat de jongen Christoba Juan zeer ondeugend is en hij, beklaagde, zich gerechtigd
achtte om, tot verbetering van diens geaardheid, hem met touw slagen te kastijden’. Juan zelf
was bij de behandeling van de zaak afwezig omdat hij was weggelopen. Pas na twee dagen kon
het proces worden hervat. Ruiz werd schuldig bevonden aan het overtreden van de bepaling dat
kinderen geen ‘corporale correctie’ ofwel lichamelijke straffen mochten ondergaan en hij werd
veroordeeld tot een boete van maar liefst honderd gulden. Ruiz ging in beroep, maar het
Vredegerecht wees zijn verzoek tot gratie af, waarop hij het hogerop zocht. De gouverneur
herriep niet de schuldigverklaring, maar bracht wel de boete terug van honderd tot vijftien
gulden. 44
Op 3 juli 1861 kwam een zaak voor tegen Alexander Kelly die zijn twaalfjarige slaaf
Eduardo Rei had gestraft met slaag. Eduardo was naar de markt in Oranjestad gezonden om melk te
verkopen. Op de terugweg had hij de opbrengst van 12,5 cent verloren en uit angst voor zijn
meester durfde hij twee dagen niet naar huis terug te keren. Op grond van het verbod op lijfstraffen
12
voor kinderen onder de veertien werd Kelly veroordeeld tot een boete van vijftig gulden. Ook Kelly
ging in beroep en zijn straf werd venninderd omdat hij bekend stond als iemand die zijn slaven
goed behandelde. ‘De Rekwestrant was ongetwijfeld niet op die betrokken wetsbepaling indachtig
geweest, gewoon zijnde den slavenjongen als eigen kind te behandelen.’ 45
Omdat annoede en geldgebrek ook onder veel slaveneigenaren troef waren, konden geen
hoge boetes worden opgelegd. Hier botste de doelstelling van het reglement, dat slaven moest
beschennen tegen inhumane behandeling, met de praktijk van de veelal familiaire omgang tussen
slaven en vrijen. Net als vrije kinderen kregen ook slavenkinderen slaag. In hoger beroep werd deze
tegenstrijdigheid opgelost, dan wel gesust.
Tot besluit
De Arubaanse slavernij kwam in het eerste kwart van de negentiende eeuw tot ontwikkeling, terwijl
de Caraïbische slavernij elders toen reeds op zijn retour was. Slaven kwamen veelvuldig in opstand
of ontvluchtten de plantages. Op Haïti hadden de slaven dit instituut omvergeworpen; in de Franse
Caraïben was de slavernij al afgeschaft en door Napoleon geherintroduceerd. Engeland verbood de
transatlantische slavenhandel en bezon zich op de afschaffing van de slavernij, met of zonder
overgangsperiode. Een plantage-economie was op het droogste eiland van het Caraïbische gebied
onhaalbaar en slavernij bleef hier dan ook kleinschalig in aard en omvang. Toch leefde in 1849 21
procent van de Arubaanse bevolking in onvrijheid. Vrouwen werkten in het huishouden of in
winkels; mannen werkten als veldslaaf op de kostgronden van hun eigenaar of als ambachtsman in
het dorp. Kinderen verrichtten huishoudelijk werk. 480 Arubaanse slaven, onder wie 219 kinderen
jonger dan vijftien jaar, verkregen in 1863 de vrijheid.
In tegenstelling tot bijvoorbeeld de Surinaamse slavenbevolking kende de Arubaanse
gedurende de negentiende eeuw aanhoudende geboorteoverschotten. Slavinnen hadden meestal
twee tot zeven levende kinderen. Desondanks was de kindersterfte schrikbarend, waarschijnlijk als
gevolg van de alomvattende annoede en het gebrek aan medische zorg. Slaven leefden met een
zekere mate van zelfstandigheid ‘onder het consent’ in eigen huishoudens of woonden in bij hun
eigenaar. De band tussen moeder en kind was het fundament van de huishoudelijke eenheid en de
opvoeding. De rol en positie van de vaders, vrij dan wel slaaf, in de opvoeding van slavenkinderen
is vooralsnog onduidelijk. Alleenstaande kinderen woonden als huispersoneel bij hun eigenaren. De
stabiliteit van het slavengezin werd voortdurend bedreigd door de kans op verkoop als gevolg van
veranning, vertrek of overlijden van de eigenaar. Hoewel dat verboden was, gebeurde het wel
degelijk dat kinderen door verkoop van moeders werden gescheiden. Manumissie kwam ook voor
en zelfs vooral onder moeders met hun kinderen.
De slavenwetgeving werd na de eeuwwisseling in de gehele Caraïbische regio aangescherpt,
aanvankelijk uit angst voor de opstanden die rond 1795 in de gehele regio hadden plaatsgevonden.
Wet- en regelgeving moest slaven beschennen tegen uitbuiting of verwaarlozing door hun
eigenaren en moest voorkomen dat slaven in opstand kwamen. Naarmate de afschaffing van de
slavernij naderde, moest aangescherpte regelgeving de slaven ook voorbereiden op de vrijheid. Aan
kinderen, maar ook aan zwangere en zogende vrouwen, werd in toenemende mate aandacht besteed.
13
De maatregelen betroffen de arbeid, voeding en kleding en het strafregime. Naleving van de
regelgeving bleek de gehele negentiende eeuw problematisch als gevolg van de verarming en
wellicht onwil onder slaveneigenaren op het verpauperende eiland. Niettemin verschafte de
regelgeving de slaven een mogelijkheid van verweer indien hun eigenaren tekortschoten.
Overtredingen van slaveneigenaren werden waar mogelijk door het gerecht behandeld. Ook slaven
werden bestraft en opvallend was het aantal oudere kinderen van veertien tot twintig jaar onder de
veroordeelde slaven. Zij werden bestraft voor onder meer diefstal, wegloperij en
ongehoorzaamheid. Kennelijk knelde de onvrijheid het meest tijdens de overgangsjaren van kind-
zijn naar volwassenheid.
Terug naar het kind van de rekening. De meerderheid van de Arubaanse kinderslaven leefde
in grote armoede en enorme eenvoud in een kleinschalige koloniale samenleving die een marginale
positie innam in de kolonie Curacao. Armoede trof het eiland in het midden van de negentiende
eeuw als gevolg van terugkerende droogtes, het grotendeels wegvallen van de handel en de
goudwinning. Ook onder de vrije bevolking waren armoede, hongersnood en kindersterfte schering
en inslag. Kindslaven waren geheel overgeleverd aan de welstand en de toeschietelijkheid van hun
eigenaren. Kindslaven woonden doorgaans met hun moeder en eventueel meer verwanten in het
dorp Oranjestad aan de Paardenbaai of daar niet ver vandaan. Constantijn en Merselina daarentegen
leefden van kleins af aan zonder hun beider moeders in het huishouden van landsonderwijzer Van
Dragt. Zij waren er knecht en huisbediende, deden boodschappen en verrichtten klussen in en rond
het dorp. Zij participeerden vermoedelijk in het kerkelijke leven van de protestantse gemeenschap.
Slavenkinderen hadden na 1857 toegang tot het katholieke armenonderwijs, maar of Constantijn en
Merselina daar gebruik van maakten mag worden betwijfeld. Zij zijn evenmin aangetroffen in de
leerlingenlijsten van de landsschool van hun eigenaar. Hoewel de negentiende-eeuwse Arubaanse
kinderslavernij mild afsteekt bij de gruwelen van de onvrijheid elders in de regio, kende de slavernij
uiteindelijk geen pardon. Eenmaal overbodig werd Constantijn voor 350 gulden te gelde gemaakt.
Tussen de zwartheid van de slavernij en de witte vrijheid van het koloniale Aruba bestond geen
grijze tussenweg.
14
Literatuur
Alofs, L., 1995
‘De rode rand van de slavernij: indiaanse slavernij op Aruba en Curagao, 1827-1914.’
Amigoe/Napa, 11-2-1995.
Alofs, L„ 1996
‘Aruba’s Indiaanse indianenopstanden.’ Amigoe/Napa, februari-maart 1996.
Alofs, L„ 1996
Slaven zonder plantage; Slavernij en emancipatie op Aruba, 1750-1963. Aruba: Edicion
Educativo #2. (Eerste druk: 1996.)
2003
Slaven zonder plantage: Slavernij en emancipatie op Aruba, 1750-1963. Aruba, Edicion
Educativo #2, (tweede druk).
Alofs, L„ 2004
Aruba ’s intangible cultural heritage; An inventory. Aruba: UNESCO, National Commission of
Aruba.
Alofs, L„ 2005
‘Schoolstrijd, godsdiensttwist en de volkstaal.’ Aruba en Papiamento, Bloemendaal: Stichting
Libri Antilliani/Cura 9 ao, Fundashon Planifikashon di Idioma.
Alofs, L„ 2007
Places of Memory: Aruba and the Slave Trade Route. Oranjestad/La Havana: UNESCO National
Commission Aruba/UNESCO Regional Office.
Dragt, A. van, 2005
‘Predikaasie den paapiamente arriba e motivo pakiko heendee ta baai na kerki i teendee na e
palabra de Djoos Predikaa den e kerki di Aroeba e 24 di oktoober 1847.’ Aruba en Papiamento.
Bloemendaal: Stichting Libri Antilliani/Curapao, Fundashon Planifikashon di Idioma.
Heinze S. & L. Alofs, 1997
‘Arubaanse cunucero’s en Caraïbische peasants.’ In: L. Alofs, W. Rutgers & H.E. Coomans
(red.): Arubaans akkoord. Bloemendaal/Den Haag: Stichting Libri Antiyani/Kabinet van de
Gevolmachtigde Minister van Aruba.
Jordaan, H., 1997
‘De eerste slaven op Aruba. Het plantage-experiment van 1715.’ In: L. Alofs, W. Rutgers & H.E.
Coomans (red.): Arubaans akkoord. Bloemendaal/Den Haag: Stichting Libri Antiyani/Kabinet
van de Gevolmachtigde Minister van Aruba.
Klooster, O., & M. Bakker, 2007
Bouwen op de wind; Architectuur en cultuur van Aruba. Bloemendaal: Stichting Libri Antilliani.
Renkema, W.E., 1981
Het Curagaose plantagebedrijf in de negentiende eeuw. Zutphen: De Walburg Pers.
Schiltkamp, J.A. & J. Th. de Smidt (red.), 1978
West-Indisch Plakaatboek; Publicaties en andere wetten alsmede de oudste resoluties betrekking
hebbende op Curacao, Aruba, Bonaire; II: 1782-1816. Amsterdam: S. Emmering.
Stipriaan, A. van, 1993
Surinaams contrast; Roofbouw en overleven in een Caraïbische plantagekolonie 1750-1863,
15
Leiden: KITLV Uitgeverij.
Verheij, E., 2006
Opgroeien in slavernij; Een onderzoek naar de opvoeding van Surinaamse slavenkinderen in de
achttiende en negentiende eeuw. (Doctoraalscriptie.)
16
Noten
Dit artikel bouwt voort op Slaven zonder plantage; Slavernij en emancipatie op Aruba 1750-1963
(Alofs 1997, 2003). De gegevens zijn later verwerkt in de tweede druk van deze uitgave uit 2013.
Verwijzingen naar eigen werk zijn zoveel mogelijk vermeden. Ik dank Vanessa Paulina voor haar
verbeelding van Virginia en Leontine Merkies voor het meelezen van het manuscript.
Archivo Nacional Aruba (ANA), Protocollen Notarieel 1848-1850, Testamentaire
boedelbeschrijving Abraham van Dragt dd. 17-2-1848; Notarieel Protocol dd. 3-4-1848. Alofs 2005; Van
Dragt 2005; Van der Klooster & Bakker 2007: 140.
Het uitbreiden van onze aandacht met de groep van jongvolwassenen is bovendien noodzakelijk
omdat de stem van het jongere kind nog minder dan die van het oudere kind doorklinkt in de archieven.
Aruba kende ook een vorm van indiaanse kinderslavernij. Indiaanse kinderen werden door Arubaanse
scheepseigenaren aan de kust van het nabije Venezolaans-Columbiaanse schiereiland Goajira geroofd en
door vooraanstaande families ingezet als huisbediende. Zij leefden in omstandigheden zich weinig
onderscheidden van die van kindslaven. Over deze vorm van kinderslavernij zie Alofs 1995.
Heinze & Alofs 1997. (Spaans ‘ indigeno ’, Engels ‘ indigenous j. De inheemse bevolking zet zich
daarmee af tegen de koloniale overheersing, waarbinnen de oude benaming aan hen was toegekend. Men
hanteert daarom tegenwoordig steeds meer de eigen etnische benamingen. Op Aruba echter is de benaming
indiaan beslist niet (politiek) beladen of verbannen. Integendeel, de Arubaan is over het algemeen trots op de
(vermeende) indiaanse achtergrond en noemt zich dan ook graag indiaan.
Jordaan 1997: 117-126.
Algemeen Rijksarchief (ARA), WIC toeg.nr. 1.05.01.02; inv.nr. 610; fol. 633. Directeur Rodier
aanWIC, dd. 10-6-1774.
ARA, Commite tot Zaken van de Koloniën en Bezittingen in Amerika en op de kust van Guinea
(1795-1800), inv.nr. 139; Journalen van Curapao dd. 16-9-1795; 2-12-1795. Uit de archieven blijkt dat ook
vooraanstaande indiaanse families zwarte slaven hielden. Zie Alofs 1996.
De teelt van cochenille ging om een pigmentsoort die werd gevormd door cochenille-insecten die
op hun beurt werden gekweekt op nopaalcactussen.
9 Renkema 1983: 71-93, Alofs 2003: 10-11.
10 Koloniaal Verslag (KV) 1862; Alofs 2003: 40.
! 1 Na het overlijden van gezaghebber Jacobus Jarman in 1859 actualiseerde gezaghebber De Veer
de bevolkingsadministratie op grond van de volkstelling van 1857. Hierdoor daalde het aantal
geregistreerde slaven. In 1861 was De Veer wegens ziekte afwezig en werd een andere bron gebruikt,
waarschijnlijk de minder betrouwbare opgaven van de districtsmeesters.
12 Alofs 2003: 29.
' Centraal Historisch Archief Willemstad (CHA), Archief Staatscommissie inv.nr. 43, manuscript
Stuk 5H, vraag 15.
14 Arubaanse Protestantse Gemeente, doopboeken 1830-1899.
1 ANA, Register van geboorte en overlijden van slaven en register van overschrijving van vrij te
maken slaven op Aruba, 1863 (‘ANA, register 1863’). ARA 2e afdeling; toeg.nr. 2.02.10, inv.nr. 246.
Klapper op de Namen van plantages, plantage eigenaren en slaveneigenaren en stukken betreffende de
uitbetalingen in verband met de opheffing van de slavernij in West-Indië; ANA Slavenarchief: register
van geboorte en overlijden van slaven en register van overschrijving van vrij te maken slaven op Aruba,
1863.
16 Alofs 2003: 53.
Bij de afwikkeling van de Emancipatie bevonden zich slaven van Arubaanse eigenaren op
Curapao. Gezaghebber Michael de Veer bezat twee slaven die in Suriname verbleven.
1 CHA, Archief Staatscommissie voor de Slavenemancipatie, inv.nr. 34, stuk nr. 5B.
17
ANA, Protocollen Notarieel dd. 29-11-1859.
ARA, Oud Archief van Cura 9 ao, Bonaire en Aruba 1828-1848 (ARA OAC-2) inv.nr. 114, dd. 10-
4-1839.
21 Publicatie (Pb.) 1839 #195.
22 ANA, Protocollen Notarieel 1849 #24 dd. 5-9-1849; # 10-10-1849; 1850 # 35 (datum
onleesbaar); idem 1850 # 37 dd. 14-2-1849.
23 ANA, Protocollen Notarieel 1848-1850 #15 dd. 19-6-1848.
24 ANA, Protocollen Notarieel 1848-1850 # 22 dd 20-8-1849; #23 dd. 20-8-1849.
25 ANA, Protocollen Notarieel 1848-1851 #9 dd. 17-4-1848.
26 ANA, Protocollen Notarieel 1848-1851 #10 dd. 5-5-1848.
ANA, Protocollen Notarieel 1848-1851 # 46 omstreeks april 1850.
ANA, Protocollen Notarieel 1848-1851 # 58 omstreeks september 1850.
29 ANA, Protocollen Notarieel 1861 # 3, dd. 15-3-1861.
30 Van Stipriaan 1993: 369 e.v., Verheij 2006.
31 Pb. 20/24-11-1795, in: Schiltkamp & De Smidt II: 514 #442.
32 Pb. 8-12-1812, art. 3, in: Schiltkamp & De Smidt II: 808 #687.
33 ARA OAC-2, inv.nr. 116 dd. 25-9-1841, 18-10-1841, 19-10-1841.
34 Pb. 1841 #238.
" CHA, Notulen Vredegeregt 1846-1857, inv.nr. 430 dd. 21-1-1852; inv.nr. 406 dd. 27-6-1860.
36 CHA, Notulen Vredegeregt 1846-1857, inv.nr. 430 dd. 14-6-1848.
37 CHA, Notulen Vredegeregt 1846-1857, inv.nr. 430 dd. 15-8-1855.
CHA, Archief gouvernementssecretarie, 1718-1939 afd. 3, Slavernij, inv.nr. 3714-2 dd. 10-12-
1850. Jarmans zorgen hielden niet op met dit ene voorval. Een bejaarde slavin werd door een (op Curapao
woonachtige) erfgenaam van de overleden eigenaar Caspar Schoonewolf niet onderhouden en zij moest
rondkomen van aalmoezen. Jarman had geen mogelijkheden om de erfgenaam te dwingen zijn plichten na
te komen en ondersteunde de vrouw uit de armenkas.
CHA, Archief van het gouvernementsecretarie 1718-1939, afdeling 3, Slavernij, inv.nr. 21:
‘Circulaire betrekkelijk de zorg van het Koloniaal Bestuur om de stoffelijke en zedelijken toestand der
slaven te verbeteren 10 juli 1848’.
40 Pb. 1857 #2.
41 KV 1857.
L CHA, Koloniaal Archief-Aruba. inv.nr. 3849 Handschriften ‘Verslag nopens den toestand des
eilands Aruba over het jaar’. 1860-1879: Jaargang 1861.
43 KV 1859-1863.
44 CHA Koloniaal Archief inv.nr. 406 Vredegerecht 1860-1862, notulen dd. 26-9-1860; 28-9-1860;
20-10-1860,2-2-1861.
45 CHA Koloniaal Archief inv.nr. 406 Vredegerecht 1860-1862, notulen dd. 3-7-1861, 15-8-1861.
18
Tabel 1: Bevolkingssamenstelling 1820-1862
jaar
slaven
vrije
bevolking
totaal
1820
331
1556
1887
1830
365
2055
2420
1840
497
2245
2742
1849
597
2163
2760
1854
588
2708
3296
1859
415
2333
2748
1862
456
2802
3258
Bron: Koloniale Verslagen; Alofs 2003: 12.
Tabel 2. Slaveneigenaren naar omvang slavenbezit, 1862
aantal eigenaren/huishoudens
aantal slaven per
eigenaar/huishouden
41
1-4
20
5-9
5
10-19
7
20-29
2
35
Bron: ARA 2e afdeling; toeg. nr 2.02.10, inv. nr. 246. Klapper op de Namen van plantages, plantage-
eigenaren en slaveneigenaren en stukken betreffende de uitbetalingen in verband met de opheffing van de
slavernij in West-Indië.Tabel 3: Slavenbevolking naar type werkzaamheid
19
Tabel 3. Slaven naar geslacht en beroep
beroep
mannen
vrouwen
huisslaven
1
135
ambachts-/
winkelslaven
18
13
landbouwslaven
97
-
niet opgegeven
111
118
totaal
227
266
Bron: zie tabel 2.
Tabel 4: Slavenbevolking naar leeftijd en geslacht in 1862
leeftijd
0-
4
5-
9
10-
14
15-
19
20-
29
30-
39
40-
49
50-
59
60-
69
70-
79
80-
89
totaal
mannen
37
44
22
24
37
24
25
6
5
2
0
226
vrouwen
44
39
33
31
41
29
22
17
4
3
3
266
Bron: zie tabel 2. NB Van één man is de leeftijd niet opgegeven
Tabel 5: Slavenbevolking naar omvang, geboorte en sterfte, 1840-1850
totaal
geboorte
sterfte
geboorteoverschot
1840
486
29
9
20
1841
485
24
9
15
1842
480
22
7
15
1843
498
26
5
19
1844
514
27
2
25
1845
530
19
6
13
1846
545
21
5
16
1847
556
20
9
11
20
1848
529
19
7
12
1849
591
24
1
23
1850
596
22
5
17
Bron: Koloniaal Verslag 1849, 1850.
Tabel 6: Slavenbevolking naar geboorte, sterfte en manumissie, 1851-1862
totaal
geboorte
sterfte
geboorteoverschot
manumissie
1851
567
23
6
18
-
1852
573
14
6
8
4
1853
566
22
9
13
3
1854
588
36
9
25
2
1855
597
18
11
7
3
1856
502
24
8
8
-
1857
522
22
8
14
-
1858
526
24
13
11
0
1859
415
17
10
7
4
1860
404
20
10
10
2
1861
509
32
7
25
30
1862
456
15
12
3
6
Bron: Koloniale Verslagen.
Tabel 7: Totale absolute en relatieve sterfte onder de slavenbevolking naar ouderdom op
Cura?ao, Bonaire en Aruba, 1841-1850
leeftijd
Curacao
Bonaire
Aruba
0-3
381
30,8%
32
40%
23
41,1%
3-9
89
7,1%
1
1,25%
3
5,3%
9-15
41
3,3%
1
1,25%
7
12,5%
15-23
60
4,8%
6
7,5%
2
3,8%
23-30
63
5,0%
8
10,0%
3
5,3%
30-35
47
3,8%
3
3,75%
2
3,8%
21
35-45
76
6,1%
5
6,25%
2
3,8%
45 en ouder
559
45,1%
20
25%
14
25%
totaal
1239
100%
80
100%
56
100%
Bron: Koloniaal Verslag 1851.
Tabel 8. Gemiddelde prijs voor slaven naar leeftijd, 1843-1852
Aantal
verkochte
slaven
0-10jaar
10-20
20-30
30-40
40-50
boven de
50
1843
37
-
185,-
-
360,-
233,-
46,-
1844
18
-
190,-
300,-
-
240,-
200,-
1845
20
-
158,-
300,-
-
238,-
-
1846
16
100,-
180,-
300,-
-
460,-
-
1847
48
115,-
359,-
437,-
376,-
350,-
300,-
1848
7
-
186,-
450,-
-
-
-
1849
17
120,-
125,-
280,-
300,-
-
135,-
1850
22
85,-
137,-
233,-
257,-
250,-
-
1851
6
-
-
250,-
-
-
-
1852
9
-
175,-
380,-
-
-
-
Bron: Staatscommissie 1856: 172-181; CHA archief Staatscommissie inv. nr. 37; Alofs 2003: 86.
Tabel 9: Gemiddelde prijs per slaaf naar leeftijd en geslacht, 1853
1853
man
vrouw
tot en met 10 jaar
90,-
85,-
van 10 tot 20
320,-
300,-
van 20 tot 30
329,-
362,-
van 30 tot 40
400,-
n.v.t.
ouder dan veertig
n.v.t.
n.v.t.
Bron: CHA archief Staatscommissie inv. nr. 37.
22